-
1 zetten
1 [doen zitten] seat3 [bepalen] set6 [met kracht beginnen] set to7 [opwekken] set9 [zijn vaste vorm krijgen] set♦voorbeelden:zich aan tafel zetten • sit down at tableeruit zetten • eject, evict, throw outalle conventies opzij zetten • set aside all conventions, be unconventionalzet je auto aan de kant • pull up at the sideiemand achter de tralies zetten • put someone behind barseen edelsteen in goud zetten • set a jewel in goldhet eten op tafel zetten • serve dinnereen schip op het land zetten • run a ship ashoreeen ladder tegen de muur zetten • set a ladder against a wallzet dat maar uit je hoofd! • get that out of your headiemand uit een vereniging zetten • drop someone from a clubin elkaar zetten • 〈 machine〉 fit/put together, assemble something; 〈 vlug of slordig〉 knock together; 〈 plannetje〉 contrive, think uphet op een lopen zetten • (make a) run for ithet op een zuipen zetten • hit the bottle10 letters zetten • compose/set typehet zetten • typesetting, composingik zet er vijf pond op (dat) • I bet you five pounds (that)¶ zet de muziek harder/zachter • turn up/down the musicdat kan zij niet zetten • she can't stomach thatzich ergens toe zetten • put one's mind to something -
2 elkaar
1 each other, one another♦voorbeelden:elkaar helpen • help each otherzij lijken op elkaar • they look like/resemble one anothertwee touwen aan elkaar binden • tie two ropes togetherzij maakte het achter elkaar af • she finished it in one gohij heeft een uur achter elkaar gepraat • he went on talking for a whole hourachter elkaar staan • stand one behind the otherweken/uren achter elkaar • for weeks/hours on endvier keer achter elkaar • four times in a rowdrie boeken achter elkaar uitlezen • read three books one after the otherbij elkaar komen • meet, come togetherhij heeft ze niet allemaal bij elkaar • he's got a screw loosealles bij elkaar (genomen) • on the whole, all in allzij hebben 50 gulden bij elkaar kunnen leggen • they were able to raise 50 guilderszoveel geld heb ik nooit bij elkaar gezien • I've never seen so much money at oncemeer dan alle anderen bij elkaar • more than all the others put togetherwij blijven bij elkaar • we stick/keep togetherde kinderen lopen door elkaar • the children are running all over the placealles ligt door elkaar • everything is mixed up/confuseddoor elkaar raken • get mixed up/confusedhet verhaal zit goed/slecht in elkaar • the story is well/badly thought outzij werden het met elkaar eens • they came to an agreementze hadden met elkaar nog geen gulden • they didn't have a guilder between themze kwamen enkele minuten na elkaar binnen • they came in within a few minutes of each other/one anothernaast elkaar zitten/liggen/lopen • sit/lie/walk side by sidegetallen onder elkaar zetten • write/place figures in columnszij moeten dat onder elkaar maar uitmaken • they must sort that out amongst themselveswe zijn toch onder elkaar • after all we are by ourselveshet zijn vrienden onder elkaar • they are all friends (together)op elkaar liggen • lie one on top of the otherdingen tegen elkaar zetten/leggen/drukken • put/lay/press things togetherdie groep is uit elkaar gevallen • the group has split updie auto valt bijna (van ellende) uit elkaar • that car is falling apartze zijn uit elkaar gegroeid • they (have) drifted apart(personen of zaken) (goed) uit elkaar kunnen houden • be able to tell (people/things) apartuit elkaar gaan • 〈 gezelschap, commissie, jury〉 break up; 〈 vrienden, echtgenoten〉 split up/break up; 〈 menigte, betogers〉 disperseeen machine uit elkaar halen/nemen • strip down/dismantle a machinezij zijn familie van elkaar • they are relatedzij hebben veel van elkaar • they are very much alikehij heeft zijn zaakjes goed voor elkaar • he's got things fixediets niet voor elkaar kunnen krijgen • not manage (to do) somethinghet is voor elkaar • it has been taken care ofelkaar uit de weg gaan • avoid each other -
3 leggen
2 [(een ei) voortbrengen] lay3 [aanbrengen, plaatsen] put♦voorbeelden:geld opzij leggen • put money asidehij legde het boek opzij tot 's avonds • he put the book aside till the eveningiemand bepaalde woorden in de mond leggen • put certain words into someone's mouthnaast elkaar leggen • put together/side by side/against one anothernieuwe buizen onder een straat leggen • lay new pipes under a streetklemtoon op een lettergreep leggen • stress a syllableop een hoop leggen • pile up -
4 assembleren
v. assemble, gather together; put together; get together -
5 in elkaar zetten
〈 machine〉 fit/put together, assemble something; 〈 vlug of slordig〉 knock together; 〈 plannetje〉 contrive, think upVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > in elkaar zetten
-
6 oplopen
1 [naar boven lopen] go/run/walk up3 [op weg gaan] walk on/along5 [botsen op] bump/run into♦voorbeelden:1 de trap oplopen • run/go/walk up the stairstegen de dijk oplopen • run up the dikeeen rekening laten oplopen • run up a bill/an accountal die kleine bedragen bij elkaar, dat loopt flink op • all those small sums put together, it mounts uphet kan oplopen tot ettelijke miljoenen • it may run/amount to several millions3 de straat oplopen • walk/come into the streetsamen (een eindje) oplopen • walk some/part of the way together4 de straat loopt op • the street rises/climbs5 tegen iemand oplopen • bump/run into into someonetegen een mooi huis/goede baan oplopen 〈 figuurlijk〉 • run into a nice house/good jobII 〈 overgankelijk werkwoord〉1 [opdoen] catch, get2 [scheepvaart] [inhalen] overtake♦voorbeelden:schade/een verlies oplopen • sustain/suffer/receive damage/a losseen verkoudheid oplopen • catch a cold -
7 team
1 team♦voorbeelden:een team samenstellen • put together teameen team vormen met iemand • team up with someonesamen een team vormen • team up togetherin een team werken • work in a teamhij speelt in het tweede team • he plays for the reserves/reserve team -
8 samenstellen
v. compose, compile, construct, constitute, put together, frame, empanel -
9 samenvoegen
v. join, conjoin, joint, unite, assemble, put together, combine, bundle, aggregate, conglomerate, piece -
10 een overzicht opstellen
een overzicht opstellenVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > een overzicht opstellen
-
11 een team samenstellen
een team samenstellenVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > een team samenstellen
-
12 een verzameling aanleggen
een verzameling aanleggen————————een verzameling aanleggenbuild up/put together a collectionVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > een verzameling aanleggen
-
13 meer dan alle anderen bij elkaar
meer dan alle anderen bij elkaarVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > meer dan alle anderen bij elkaar
-
14 naast elkaar leggen
naast elkaar leggenput together/side by side/against one anotherVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > naast elkaar leggen
-
15 overzicht
♦voorbeelden:overzicht vanuit de lucht • bird's-eye viewik heb geen enkel overzicht meer • I have lost all track of the situationeen beknopt overzicht • a (concise) summaryeen financieel overzicht • a financial statementeen kort overzicht geven van • 〈 ook〉 summarize, outlineeen overzicht opstellen • put together a survey -
16 prutsen
1 [klungelen; knutselen] mess about/around ⇒ potter/tinker (about/around)♦voorbeelden:je moet niet zelf aan je tv gaan zitten prutsen • you shouldn't tamper with your TV-set yourselfwat zit je toch te prutsen! • what's all this messing about?II 〈 overgankelijk werkwoord〉1 [door knutselen tot stand brengen] 〈zie voorbeelden 1〉♦voorbeelden: -
17 samendoen
1 [verenigen] put together, combine -
18 samenstellen
♦voorbeelden:1 samengesteld zijn uit • be made up/composed of -
19 timmeren
1 [slaan] hammer♦voorbeelden:goed kunnen timmeren • be good at carpentryerop los timmeren • hit out (in all directions)de hele boel in elkaar timmeren • smash the whole place upII 〈 overgankelijk werkwoord〉♦voorbeelden: -
20 verzameling
1 collection ⇒ 〈 samenkomst〉 gathering, assembly, 〈 samenstelling〉 compilation, 〈 opeenhoping〉 accumulation2 [wiskunde] set♦voorbeelden:1 een bonte verzameling aanhangers • a motley collection of followers, a motley creween verzameling aanleggen • build up/put together a collection
- 1
- 2
См. также в других словарях:
put together — index affix, annex (add), attach (join), cement, collect (gather), commingle … Law dictionary
put together — verb create by putting components or members together (Freq. 4) She pieced a quilt He tacked together some verses They set up a committee • Syn: ↑assemble, ↑piece, ↑set up, ↑tack, ↑ … Useful english dictionary
put together — phrasal verb [transitive] Word forms put together : present tense I/you/we/they put together he/she/it puts together present participle putting together past tense put together past participle put together 1) to produce or organize something… … English dictionary
put together — 1) PHRASAL VERB If you put something together, you join its different parts to each other so that it can be used. [V n P] He took it apart brick by brick, and put it back together again... [V P n (not pron)] The factories no longer relied upon a… … English dictionary
put together — 1. verb To assemble, construct, or build. If you try to put together the model kit yourself, be very careful not to break any of the pieces. 2. adjective a) Combined, assembled … Wiktionary
put together — phr verb Put together is used with these nouns as the object: ↑anthology, ↑bibliography, ↑coalition, ↑exhibition, ↑list, ↑package, ↑picture, ↑piece, ↑plan, ↑proposal, ↑puzzle, ↑ … Collocations dictionary
put together — Synonyms and related words: accouple, accumulate, add, agglomerate, agglutinate, aggregate, aggroup, amalgamate, amass, articulate, assemble, assimilate, associate, band, batch, blend, bond, bracket, brew, bridge, bridge over, bring together,… … Moby Thesaurus
put together — (Roget s Thesaurus II) I verb To create by forming, combining, or altering materials: assemble, build, construct, fabricate, fashion, forge1, frame, make, manufacture, mold, produce, shape. See MAKE. II verb See put … English dictionary for students
put together — to assemble or fit together pieces or parts to make a whole … Idioms and examples
To put together — Put Put, v. t. [imp. & p. p. {Put}; p. pr. & vb. n. {Putting}.] [AS. potian to thrust: cf. Dan. putte to put, to put into, Fries. putje; perh. akin to W. pwtio to butt, poke, thrust; cf. also Gael. put to push, thrust, and E. potter, v. i.] 1. To … The Collaborative International Dictionary of English
put together — phrasal 1. to create as a unified whole ; construct 2. add, combine … New Collegiate Dictionary